Het paradijs

In 2003 volg ik een schrijfcursus bij de schrijfster Margreet Schouwenaar. We krijgen verschillende opdrachten. Een van die opdrachten luidt: De schrijver neemt je mee naar een plek uit het verleden waar je graag nog een keer wilt zijn. Hier ontmoet je een bekend persoon die een verhaal vertelt over jou. 

Het paradijsje. 

Het is donker en koud. Met haar armen stijf om haar knieën sluit Manon een moment haar ogen. Ze slaakt een diepe zucht voor ze zich losmaakt uit haar houding. Stijf geworden van het lange zitten draait ze haar hoofd van links naar rechts.  Ze weet niet hoe ze hier is gekomen, in dit huis waar ze in haar jeugd regelmatig logeerde. Bevangen door herinneringen aan dit oude huis is ze het besef van tijd volledig kwijtgeraakt. Achter de ramen wacht duisternis.

Manon loopt naar een hoek van de kamer en klikt de ouderwetse schakelaar aan. Het blijft pikkedonker. Op de tast loopt ze naar de gang, de deur kraakt in zijn scharnieren. Een koude windvlaag komt haar tegemoet, en neemt de geur van de oude zolder mee. Ze kijkt omhoog maar ziet slechts een donker gat. Ze is hier zo vaak geweest dat ze weet hoe de zolder eruit ziet. Het kleine kamertje met de dakkapel. De zolder met het schuine dak. Ze ligt weer in het grote bed met haar zusjes en broertje. Giechelend hoge hakjes spelen op de schuine wand. Tot  opa`s quasi boze stem achter de deur vandaan kwam:“Slapen gaan hè!”

Ze stoot haar teen tegen iets hards. “Au!” Manon`s handen zoeken en blij verrast voelt ze het oude ladekastje van opa. Met moeite trekt ze het bovenste laatje open. Een grote kaars wordt voelbaar onder haar vingers, ze graait verder en ja hoor een doosje lucifers ligt ernaast. Nog net als vroeger. Met vaste hand strijkt ze een lucifer langs de rand van het doosje, direct worden lange schaduwen zichtbaar. Een geur van zwavel bereikt haar neus terwijl ze de kaars aansteekt. De vlam knettert in het stof, laait op en beweegt dan onrustig. Manon kijkt om zich heen, met de kaars een armlengte voor zich uit. Verbaasd ziet ze een deur naast de trap. Zat die er altijd al? Ze weet het niet meer. Voorzichtig opent ze hem en  door de beweging flakkert de vlam. Op het moment dat de vlam bijna uitwaait ziet ze een lange schaduw. Vreemd genoeg is ze niet bang. In het oplichten van de vlam ziet ze een vaag bekende gestalte. “Opa?….Bent u dat opa?….” Verbazing klinkt door in haar stem.

De gestalte komt zwijgend naar haar toe. Vlak voor haar blijft hij staan en kijkt haar aan met zijn bekende pretogen. Voorzichtig neemt hij de kaars van haar over en zet hem op een lampet tafel. Dan opent hij uitnodigend zijn armen en met een blije snik laat ze zich voorzichtig in zijn armen vallen. Sussend zegt hij: ”Sst…. Stil maar meisje. Het komt allemaal goed. Wat fijn je weer te zien.”

Hij laat haar los en pakt de kaars op. Een hoofdgebaar met een; ”Kom!” laat Manon volgen.

Met een grenzeloos vertrouwen loopt ze achter hem aan en haar ogen nemen waar; De kamer met het oude televisietoestel, de stoelen en de tafel. De deur naar tante Geertje`s kamer. De grote keuken die ineens niet groot meer is, de kleine bijkeuken met de wc.

De achterdeur voert hen naar de tuin met het paradijsje erachter. Het grind onder haar voeten knispert. Manon kijkt omhoog. Blauw licht schijnt uit een donkere sterrenhemel en belicht opa`s zelfgemaakte molentje. De wieken fluiten zachtjes bij iedere slag in het rond. Verder is het doodstil. Ze lopen verder. Langs de schuur waar ze het rag van de spinnen met een handbeweging wegvaagt. Over het gladde groene tapijt dat zich voor het huisje uitstrekt. De border eromheen bloeit kleurig en rijk. Twee grote blauwe vlinders dansen om haar heen en vliegen voor haar uit, alsof ze haar zeggen willen: , Kom, speel met ons..’

Ze komen achter het huis en lopen het paradijsje in. Door een smal paadje omzoomd met bomen. Het paradijsje waar ze zo graag speelde met haar zussen en broer. Verdriet overvalt haar, verdriet over het verlies van haar broer en haar zus. Verbonden met het verdriet over papa en haar twee kleine neefjes. Waarom moesten ze allemaal zo jong sterven?   

Halverwege het paadje staat de houten stoel, fier en rechtop in een zee van gras, net als in haar herinnering. Opa gaat zitten en geeft haar te kennen aan zijn voeten plaats te nemen. Manon laat zich zakken en voelt het koele zachte gras. En ineens verdwijnt het verdriet en vervult dit moment haar met allesomvattende vrede en dankbaarheid. Verbaasd ziet ze dat de twee blauwe vlinders mee zijn gekomen. Ze fladderen voor haar ogen en nemen plaats bij haar voeten. Ze strekt haar hand uit en een vlinder hipt over naar haar vinger. Opa`s hand streelt met zijn hand door haar haar als zijn zachte stem vertelt;

“Ooit, in jouw beleving lang geleden, speelden hier vier kinderen. Drie meisjes en een jongen en een van die meisjes was jij.” Hij laat zijn hand even rusten voor hij verder gaat. “Hun kinder stemmetjes klonken vrolijk en blij. Ze maakten handstand en koprolden over het grasveld dat het een lieve lust was. Ze maakten bruggetjes met hun lichamen alsof ze van elastiek waren. Van ver uit mijn groentetuin kon ik hun heldere stemmen horen.”

Een zachte windvlaag laat de vleugels van de vlinder trillen. De vleugels glanzen fel in het blauwe licht. Een lavendelgeur uit een perk wat verderop bereikt Manon`s neus. Ineens ziet ze overal blauwe vlinders, kleine en grotere. 

Opa vervolgt zijn verhaal;
“Zodra ik jullie stemmen hoorde liep ik naar deze stoel. Dan nam ik plaats en kon ik jullie waarnemen zonder dat jullie mij zagen. Jij en je broertje zongen altijd weer eenzelfde vlinderlied: ‘Blauwtje, blauwtje, kom toch bij mij….’
Manon glimlacht. Ze weet het nog zo goed.
“Jullie zongen de vlinders liefdevol toe en je zusjes maakten van madeliefjes een krans voor in het haar.”

Opa buigt zich voorover naar de vlinders. Direct vliegen ze op en nemen ieder op een schouder plaats. Manon voelt opa`s handen berustend en zacht op haar bovenarmen. Behaaglijk sluit ze haar ogen. Ze ruikt de bloemen, voelt dan het kriebelen van de vlinderpootjes en luistert verrukt naar Opa`s stem.

“Nooit zal ik die lieve koppies van mijn kleinkinderen vergeten. Wat gaven jullie mij veel vrolijkheid en geluk. Samen met oma heb ik zo van jullie genoten.”
Het blijft even stil.
“We moesten hier uiteindelijk weg, het huis werd te groot, de tuin te bewerkelijk en wij te oud. De nieuwe aanleunwoningen waren perfect voor ons. Maar het viel ons zwaar om afscheid te nemen van deze plek, waar we zo gelukkig zijn geweest.”
Samen mijmeren ze een poosje in stilte, ieder denkt op een eigen manier terug aan die onbezorgde tijd.  

“Toen ik uiteindelijk dood ging ben ik hier naar teruggekeerd. Naar mijn huis en tuin die jullie het paradijsje noemden, weet je nog?” Manon knikt bij de mooie herinnering.
Opa kijkt om zich heen en wijst naar een kleine vlinder in de border.
“Zie je al de vlinders om ons heen?……..Langzamerhand krijg ik steeds meer gezelschap…..”
De twee grote vlinders komen op haar hand zitten. Naast elkaar. Opa komt uit zijn stoel en gaat voor Manon zitten.
“En laatst, wat schetste mijn verbazing? Daar kwam je broer al …. veel te vroeg. En nog geen jaar erna kreeg ik de opdracht om je zus te halen…. Weet je nog?……. Je was erbij……Samen met je moeder..”

Liefdevol kijkt opa Manon aan terwijl twee grote tranen over haar wangen rollen.

Ze zit weer aan het sterf bed van Marjan samen met haar moeder. Haar handen masseren zacht de magere onrustige benen van haar zus en ze hoort opnieuw de dwingende stem: “Die deur moet open! Help me nou! Doe die deur nou voor me open!” Manon en haar moeder huilden beiden toen ze antwoordden; “Dat kunnen wij niet voor je doen lieverd. Dat kan je alleen zelf. Open hem en ga!” Het broze lichaam van haar zus bewoog onrustig tot plotseling een glimlach haar gezicht ontspande en ze stamelde; “Opa! Daar staat Opa!” Door emoties overmand sluit Manon haar ogen.... Tot een streling op haar wang haar ogen weer laat openen.

Drie grote blauwe vlinders kijken haar aan en vliegen weg......  

Met liefs van Gerda Manon 

Het paradijsje.jpg